DE GRENZEN VAN NABUURSCHAP
30 aug 2026
Het is 1926. Oldenzaal heeft grond nodig. Veel grond. De heren in het stadhuis kijken gulzig naar de buren en bedenken een plan dat meer weg heeft van landjepik dan van een grenscorrectie: 1500 hectare van Losser moet eraan geloven. Meer dan zes keer de eigen oppervlakte.
Losser vecht terug. "Jullie hebben binnen eigen grenzen nog genoeg ruimte," klinkt het verweer, "en wij worden tot den bedelstaf gebracht." Maar Oldenzaal luistert niet. De stad wil groeien, en de buren moeten wijken.
Dan worden Weerselo en Deurningen zichtbaar. Weerselo, de reusachtige plattelandsgemeente met zijn acht marken, kijkt met angst toe. Deurningen ligt pal naast het begeerde gebied en vraagt zich af: "Worden wij de volgende?" Het trauma van eerdere gebiedsverliezen aan Hengelo zit er nog in.
De ironie? De annexatie komt er pas in 1955, bijna dertig jaar later. Maar de dreiging was in 1926 reëel.
En nu de aap uit de mouw: het echte verhaal is niet dat van een stad die moest uitbreiden, maar van een stad die niet naar haar buren luisterde. Een stad die dacht dat ambitie belangrijker was dan nabuurschap. In Losser vochten ze voor hun bestaan. In Weerselo en Deurningen keken ze toe met angst.
Honderd jaar later is het verhaal actueler dan ooit. Want wat is het verschil tussen een gemeenteraad in 1926 en een projectontwikkelaar in 2026?
Precies. Geen.
Laden…
